Tij Kools Archief
 

Peelschrijver

H. H. J. Maas
 

1877 - 1958

__________________________________________________________________________________________________

      E-mail: tij@tijkools.nl


De jonge romanschrijver Maas 

 

H.H.J. (Herman) Maas,  trok zich het lot van het Peelvolk aan. "Hij schreef de waarheid, en dat mocht niet" zei Harrie Geurtjens, oud leerling van Maas in Ospel op de lagere school. Geurtjens woonde op korte afstand van de plaats waar een aantal personages uit Maas' roman "Verstoteling" woonden. Hij had ze gekend.  Geurtjens vertelde in de K.R.O. tv-documentaire  (Goud in de Peel)  van Leo Akkermans, dat ze als schoolkinderen door ouderen werden aangemoedigd  om Maas met stenen na te gooien als hij voorbij kwam lopen. Bij Harrie Geurtjens thuis werden de boeken, van Maas 'stiekem'  gelezen. Men kocht de boeken in Antwerpen, omdat ze hier niet verkocht mochten worden. "Maas deugde niet". "Maas was een slechte schrijver" werd er gezegd.
 

Links H.H.J. (Herman) Maas. Rechts het gezin Maas met Herman, Herman jr. Henriëtte, Harry en Willy.


Maas, die een aantal jaren onderwijzer was in Ospel, schreef 's nachts  zijn boeken. Het gebeurde daarom wel eens dat hij achter zijn lessenaar in de klas in slaap viel. Eens bonden kinderen in de klas van Maas een meikever aan een touwtje aan een van zijn knoopsgaten toen hij een dutje deed. Hij schrok dan wakker als de kever over zijn gezicht begon te lopen.  

Maas werd door iedereen aangevallen. Vooral door de zogenaamde geestelijken in die tijd. Vanaf de preekstoel werd gewaarschuwd voor zijn boeken. Ze mochten absoluut niet gelezen worden en mocht men zich toch "per ongeluk" bezondigd hebben door een van zijn boeken aan te schaffen, dan moest dat meteen worden ingeleverd bij pastorie of  gemeente. Want de gemeente en de  H.H. Geestelijken waren twee handen op een buik.
De aanvallen op Maas bleven trouwens niet beperkt tot afgelegen plattelandsdorpjes. Ook in de landelijke politiek werd hij, tot zelfs in de Tweede Kamer,  aangevallen. Daar waren het vooral de Limburgers Nolens en Van Wijnbergen die tegen hem te keer gingen. Niemand in de "Donkere Gewesten" (Brabant en Limburg),  durfde of wilde zijn boeken drukken of uitgeven. Ver van het strijdtoneel vond hij uitgever A.G. Schoonderbeek die alle kritiek op Maas langs zich heen liet gaan en diens boeken uitgaf.  Slechts in een enkele winkel in Brabant en Limburg werden de boeken van Maas 'vanonder de toonbank' stiekem verkocht. Men kon dus in de Peelstreek bijna geen boek van Maas in handen krijgen. Dat is een van de redenen waarom hij daar zo onbekend was. Wel las men met genoegen zijn de vele artikelen die hij onder tal van schuilnamen schreef in bijvoorbeeld de Limburger, maar vooral in de Helmondse  "Zuid Willemsvaart" van zijn vriend Hendrik Ouwerling. Die krant werd er groot mee, maar alle eer ging naar Ouwerling. 
Maas werd ook ontslagen als onderwijzer omdat "zo'n verderfelijke man" niet in staat kon worden geacht kinderen te onderwijzen.

 

Op 24 februari 1877 werd H.H.J. (Herman) Maas geboren in het Venrayse Oostrum.
Hij had drie zussen en een broer. Bij het gezin Maas woonde ook de ongetrouwde broer van zijn moeder, Jacob Deenen. Deze oom Jacob was een zeer belezen man. Hij doorkruiste de hele streek met de kleine Herman en leerde hem alles over de natuur, maar ook over de geschiedenis van de streek, oude sagen en legenden.
Er was een vrij uitgebreide bibliotheek in huize Maas waar Herman over kon beschikken. Hij maakte daar gretig gebruik van.
Volgens Maas begon zijn schrijversloopbaan in 1896 toen hij 19 jaar oud was met een artikel in het Venrayse weekblad "Peel en Maas".
Na het behalen van de onderwijzersakte begon hij in 1896 met de hoofdaktestudie bij Hendrik Ouwerling in Deurne. Iedere zaterdag liep Maas daarvoor dwars door de Peel naar Deurne. Er groeide een hechte vriendschap tussen Ouwerling en Maas. Samen doorkruisten ze de hele Peel en de een leerde van de kennis van de ander. Maas logeerde ook regelmatig bij Ouwerling.

In 1901 verscheen zijn eerste boek. Dat was "Jan van Houtum's schetsen van over de Peel". Het boek verscheen onder zijn eigen naam: Herman H.J. Maas. Het handelde over het maatschappelijke en politieke leven. Later schreef Maas: "Sedert Jan van Houtum is mijn leven één-en-al strijd en beslommering geweest. De grote teleurstelling voor mij was de vijandige houding van de geestelijken jegens Jan van Houtyum. Hun haat en tegenwerking hebben mijn leven zeer moeilijk gemaakt".

Maas zou later ontelbare artikelen schrijven onder schuilnamen als E.K. Ster, Wil Best, Van Kikkeren, Vincimus, Peter van Venrode en andere.
Na Jan van Houtum's schetsen stond Maas in het "verdomboekje"zoals hij zelf schreef. Dat bleef zo tot aan zijn dood. Zelfs nog, in meer of mindere mate, na zijn dood.
Toen Ouwerling de opstellen van Maas las in de tijd van de hoofdakte-cursus, vroeg hij eens aan hem of hij eens wat bijdragen wilde leveren om zo de krant "De Zuidwillemsvaart"wat omhoog te krikken. Maas begon met Jan van Joutum en dat sloeg dadelijk in. Maar Maas schreef nog veel meer artikelen voor de "Zuid Willemsvaart". Alleen kreeg hij daarvoor nooit de eer die Ouwerling te beurt viel.

Aan zijn goede vriend Jaques Heeren schreef Maas dat toen hij ermee begon, het krantje niet veel was. Maar toen er rond 1910 al zo'n 2000 betalende abonnees waren, zei Ouwerling herhaaldelijk tegen Maas: "Dat heb jij gedaan met je "Veldheimsche Schetsen".
Daar tegenover staat, en ik citeer Maas:
"Enig honorarium heb ik voor mijn medewerking aan de Zuid nooit gehad, ook niet voor het boekje Jan van Houtum's Schetsen."
 

Links op de foto Hendrik Ouwerling met op de achtergrond de oude markt in Deurne


Na "De Zuidwillemsvaart" ging Ouwerling het rustiger aan doen om het zo te zeggen. Maar Maas was nog lang niet uitgeblust. Hij, die al verdoemd was door velen, bleef op zijn strijdlustige manier doorschrijven. Hij kon ook niet anders meer. De  "broodroofactie" zoals hij het zelf noemde, was al in volle gang gezet.

In 1901 had hij al van de redactie van de "Katholieke Illustratie"te horen gekregen dat zijn naam niet meer in de kolommen van het blad voor mocht komen. Hij schreef daar zelf over: "Zij bleef wel prijs stellen op mijn medewerking, mits onder, voor iedereen, buiten ons tweeën, onbekend pseudoniem. Ik heb toen per omgaande  briefkaart bedankt voor die 'eer', maar diezelfde avond -de briefkaart kon nog niet in Den Bosch zijn - grinnikte mij een Venrayse notabele in de straat na: "Toch mer lekker uit de Illustratie gezet, ze zu'n auw nog wel anders kriege jungske!" Die geschidenis met de "Katholieke Illustratie" was volgend Maas dan ook in Venray op touw gezet.
 

Als tegenstanders noemde Maas o.a. Kerssemakers, Dr. Vullings, de paters in Tilburg, Dr. Poels, een wethouderszoon van de broer van Nolens, Nolens zelf natuurlijk, Van Gils, Kortooms, Van Thiel, Van Wijnbergen, Venrayenaars, alle burgemeesters, pastoors en kapelaans in Peelland enz.
De boeken van Maas stonden op de Zwarte Lijst.
Van Gils zei eens tegen pater Van Well: "Ik weet evengoed als jij, dat onze campagne tegen Maas met geloof en zeden niets heeft uit te staan, maar alleen ten doel heeft hem kapot te maken! En kapot zal hij! Wij zullen op de een of andere manier het net zoo vast om hem heen strikken, dat hij niet meer los kan en dan aanhalen!"
Maas kreeg deze informatie van pater van Well, met wie hij goed bevriend was.

De boeken van Maas mochten niet gelezen worden. Harrie Geurtjens, een oud-leerling van Maas, toen die onderwijzer was in Ospel, vertelde me eens met tranen in de ogen dat ook hij vanachter een heg Maas bekogelde met stenen als die voorbij kwam. Opgejut door ouderen. Geurtjens zei: "Maasje had gelijk, want ik kende de personages uit zijn boeken goed. Wij mochten de boeken van Maas niet lezen natuurlijk. En wie toch een boek van hem in zijn bezit had, moest dat onmiddellijk inleveren bij de pastoor. Toen we ouder waren lazen we de boeken van Maas stiekem. We konden ze kopen in Antwerpen."
In Ospel schreef Maas 's nachts veel en hij viel daarom wel eens in slaap in de klas. Harrie Geurtjens: "We bonden dan wel eens een meikever met een touwtje aan de jas van Maas en als die kever dan over zijn gezicht kroop, dan schrok hij wakker."
De enige verdediging voor Maas was het boek "Uit de Donkere gewesten" van Ouwerling. Een aaneenschakeling van treurige feiten en gebeurtenissen uit de donkere gewesten (Brabant en Limburg).

Maas had één goede vriend waarmee hij vele jaren contact had. Dat was Jacques Heeren uit Helmond. Maas schreef tot op zijn sterfbed brieven naar hem en een paar keer per jaar ging hij er op bezoek. In zijn brieven aan Heeren gaf hij er steeds blijk van hoe blij hij was met die vriendschap.

"Dank voor je brief van 20 dezer. Ja ik vind het altijd heerlijk bij jullie te zijn, in een vertrouwde vriendschappelijke sfeer. Dat ik mij boven de huishoudelijke beslommeringen en zorgen verheven weet te houden. Och ze krijgen er mij niet zo gemakkelijk onder als mgr. Van Gils misschien gedacht en gehoopt heeft! En dan - maar dat blijft onder ons - het kost mij ook wel eens moeite, een zekeren tegenzin tegen aardappelen schillen enz. te overwinnen, doch ik beschouw dat als een middel van godsdienst".
Behalve de aanvallen op Maas, worstelde hij ook nog eens met de enorme problemen in zijn gezin. Zij lievelingszoon Herman overleed op jonge leeftijd en zijn vrouw en nog een andere zoon kwamen terecht in een verpleeginrichting.

Over Ouwerling schreef hij aan zijn vriend Heeren: "In oktober 1925 slaagde na één jaar studie, onze Herman cum laude voor het Jurid. -Candid. - examen. In zijn studie en zijn aspiraties stelde Ouwerling nooit enig belang, althans toonde nooit iets daarvan. Hij heeft zelfs niet eens gefeliciteerd. Toen ik in november 1925 bij hem was, viel hij alleen ruw uit, zoals hij dat wel eens kon doen over "die geleerdheid" allemaal! Met een hoop spot erbij. Je begrijpt wel, hoe pijnlijk dat ons aandeed. Ook voor de schilderkunst van Maas' zoon Harry toonde hij geen belangstelling. En over literatuur viel hij al even ruw en spottend uit. "Wat is literatuur? Niks! Op geld alleen komt het aan!" En zo meer. In die tijd was mijn vrouw al erg zenuwziek: alles ging langs hem heen.
In 1926 heb ik hem nog een uitgenodigd voor een bezoek. Dat is blijven hangen. Ik kreeg de indruk, dat hij met 't toenemen van zijn jaren al langer hoe egoïstischer werd. Misschien heb ik mij vergist. Ik geloof, dat het aan onze vriendschap niets afdeed, ook van zijn kant niet. Maar we ontmoetten elkaar niet meer, alsof het oude contact was verbroken. Juist alsof de vroegere jaren, van Jan van Houtum, Verstoteling, Het Goud van de Peel enz. uit zijn geest waren weggewist. We schenen elkaar niet meer te begrijpen. Zeer zeker heeft hij ook wel eens iets voor mij gedaan, maar ik voor hem eveneens.
De bundel "Zonnedauw" liet hij na 7 vel afdrukken liggen door het conflict met Piet Hamilton. Van het samen ontworpen tijdschrift voor het Zuiden kwam niets als gevolg van de campagne tegen mij na "Verstooteling" en "Goud". Ik heb me daar toen altijd bij neergelegd zonder hem iets kwalijk te nemen. In mijn strijd tegen de machten was het altijd: "Ik kan niets voor je doen; je moest eens weten, wat ik heb moeten uitstaan over je romans, ze maken mijn zaak kapot!" - Zeker, hij deed wel eens iets, in mijn moeilijke tijden, al was het bedroefd weinig. Maar dat mocht absoluut niet in verband staan met wat ik aan werk voor hem gedaan had, doch als een grote weldaad beschouwd worden. Zulke dingen hinderden. 't Is maar een algemeen overzichtje, je voelt echter wel, dat het gaat over een reeks meer en minder belangrijke kleinigheden. Ja, achteraf beschouwd, en vooral na de dood allemaal kleinigheden. Hij zal mij - zoals ik hem - wel vergeven hebben. Maar hoe loopt het leven? Als jongrn kwam ik bij hem, ontvankelijk en meegaand. Ik werd ouder en kreeg eigen vaste opvattingen. En dat botste! Enfin - 't Is geweest".
Op 29 januari 1950 schreef Maas: "Mijn pensioen is nu slechts een miserabel pensioentje, elke dag is een dag van tobben, zwijgen, rekenen, zich meer en meer ontzeggen, enz. Kom daar maar eens bovenuit!"

Op 30 januari 1958 stierf Maas in Eindhoven.
 



Toen Maas tachtig jaar werd stuurde de Deurnese dichter Frans Babylon hem dit gedicht

Fel hekelaar van dorpse potentaten,
die veilig in hun protserig kasteel
van macht de slaven in de barre Peel
misbruiken bleven voor de gouden baten.

Hij zette hen die heerschappij bezaten
het vlijmende mes van aanklacht op de keel.
Zij overleefden 'n aanslag financieel,
terwijl hem zelfs zijn vrienden nog vergaten.

Een wijze man, nu hij na tachtig jaren
met veel verbeten strijd voor recht beproefd,
glimlachen kan en geen gelijk behoeft.
Het winterlicht glanst in zijn witte haren,
nu hij in "'t Rozenknopje" wat bedroefd
als laatste troost nog ouwe klare proeft.

Vol respect
Frans Babylon.

Karel Reijnders uit Nijmegen wilde aanvankelijk wel promoveren met een proefschrift over Maas. Hij liet Maas echter jaren in het ongewisse, om er vervolgens van af te zien. Terwijl Maar daar zo naar had uitgekeken. Eindelijk eens een boek over hem. Het zou hem uiteindelijk dan toch eens uit die verdomhoek kunnen halen. Maar het wonder bleef uit. Maas in een brief aan zijn vriend Jacques Heeren:
"Van student Reijnders heb ik niets meer gehoord. Een besluit aangaande de hem verstrekte dossiers kan ik niet nemen voordat ik hem gesproken heb. Ik moet weten, waarom de studieMaas wordt uitgesteld. Ik voel er niets voor, de dossiers in Nijmegen vast te leggen, met het gevaar dat er stukken uit verdwijnen. Is het mijn schuld, dat ik (katholiek! die het katholicisme hoog wenscht te houden) het niet vertrouw? Als Reijnders dat werk niet dadelijk ter hand kan of mag nemen, ik bedoel gedurende de eerst komende paar jaar, bijvoorbeeld met een proefschrift voor zijn promotie tot doctor in de letteren, stel over 3 jaren, wat heb ik er dan aan? Dan zou ik er zelf ook een boek over kunnen samenstellen en alle dossiers naar het archief in Den Haag sturen. Maar ik wil afwachten en niet voorbarig oordelen."
De vrees van Maas was terecht.
Toevallig kreeg ik op 31 oktober 2003 een e-mailtje van Marc Beerens uit Nijmegen. Een paar regels daaruit: "Heel mooi dat er op internet wat te vinden is over Maas voor de vermoedelijk enkeling die nog in Maas geïnteresseerd is. Ik zag Karel Reijnders nog voorbij komen, die ik tussen 1993 en zijn dood in 1997 goed heb gekend. Reijnders heeft me enkele malen verteld dat hij indertijd (eind jaren 40 begin jaren 50) "op Maas gezet" is... Uit de manier waarop Karel over Maas sprak viel altijd wel af te leiden dat hij eigenlijk niet erg veel met hem op had, noch met de mens, noch met zijn werk".
 

Brief n.a.v. 70-ste verjaardag

                                                                                                         11 Jan.1947.

   Geachte Heer Heeren,

Ik heb de kwestie H. Maas met den heer Hendriks besproken.
Deze voelde er niet veel voor, omdat hij meer schade dan voldoening voor den  betrokkene verwacht als er opnieuw enige ruchtbaarheid om hem zou ontstaan. In deze redenering zit wel iets in. Ik denk alleen maar aan het beroerde geval dat wij met Dr. van Gils hadden, toen die man na zooveel jaren nog zoo haatdragend bleek, dat hij niet eens wenschte dat er een boekje van Maas uitgegeven werd. Misschien is het dus ook wel het beste om de zaak te laten rusten.

                                                              H. v. d. Grinten,

                                                                 Directie N.V. Boekdrukkerij "Helmond".


Toen de 70-ste verjaardag van Maas in 1947 in zicht kwam
deed zijn vriend Heeren een poging om een stukje geplaatst te krijgen in de "Nieuwe Eeuw". Als reactie kreeg Heeren bovenstaande briefje van Van der Grinten. Van der Grinten had na Heeren's verzoek Professor Brom gewaarschuwd dat er, door de aandacht op Maas te vestigen, wel 'grove spaanders' zouden kunnen vallen.
Twee jaar later, in 1949, schrijft Maas: "Och, 't is duidelijk genoeg: de bedoeling van van die - systematische - campagne is: H.H.J. Maas uit te schakelen! H.H.J. Maas is geen letterkundig talent! Het werk van H.H.J. Maas heeft geen betekenis, enz. enz. Het zij zo! Maar ik heb de waarheid gezegd. Ik heb tot geen enkel tijdschrift meer toegang. Wie mij aanvalt weigert mijn antwoord te plaatsten. Ik sta moederziel alleen."
"Wie mij in krant enz. verkettert, is een 'verdienstelijk' mens, heeft dus recht op beloning. Dat is wat het tegenwoordige scribentendom in het zuiden drijft."
Maas noemt met name IDIL, Kortooms en Knuvelder. IDIL stond voor "Informatie-Dienst Inzake Lectuur" en werkte voor katholieke bibliotheken en boekhandels. De recensenten van IDIL kregen een instructielijst met 16 aanwijzingen. Na de oorlog had IDIL een paar honderd recensenten in dienst. De recensies verschenen in handboeken, kranten en later ook bij de K.R.O. De boeken kregen er ook een code. Bijvoorbeeld P voor protestant en S voor socialistisch.
"Vroeger moest de schrijver brodeloos gemaakt worden!" schreef Maas in een van zijn brieven en hij noemt daarbij namen als Nolens, Van Wijnbergen, Van Thiel "en ze hebben nooit restitutie gedaan! Dat hindert mij niets, maar ik noem het schoften. Was het prettig voor mijn familieleden dat zij lazen en hoorden dat H.H.J. Maas schrijver was van 'gemene boeken' en dus ontslagen moest worden als onderwijzer, als leraar enz. enz? 27 Februari earen onze brandstoffen op. Geen kolen, geen hout meer. Veel kou geleden. Veel geld uitgegeven, voor niks. Nog altijd geen kolen. Een beetje duur hout, al lang weer op. Toen ben ik aan de boeken begonnen. Eerst alle Engelsen, toen  alle 'schoolmeesterij...', toen alle vaderlandse en algemene geschiedenis. Vervolgens aan de letterkunde. ...Een paar honderd banden zijn al aan een beetje warmte opgeofferd. Enfin, ik heberger dingen in het leven doorgemaakt. Dit is nu al de derde winter van ellende na de bevrijding (zeg dat wel!)"

Een van Maas' romans was "Onder de Gloeilamp".
Maas daarover: "Het is waar, dat 'Onder de Gloeilamp' in Eindhoven geweldig gesaboteerd is door de geestelijkheid bij de boekhandelaren. Toch geloof ik niet,  dat in Eindhoven ooit een ander boek zoveel gelezen is! Maar zonder die sabotage zouden er nog honderden exemplaren meer verkocht zijn; vorige week is nog iemand alle boekhandels afgelopen, vergeefs, zelfs wat inlichtingen betreft. Alleen het antwoord: 'Kan ik U niet aanhelpen! In maart 1947 is het boek verschen; in mei heette het al in de boekwinkels: úitverkocht'." Maar Maas wist echter al van zijn uitgever Schoonderbeek dat het boek nog niet helemaal uitverkocht was. "Zonder die sabotage was er al lang een 2e druk geweest. Door IDIL verboden romans liggen openlijk in de étalages, en daar wordt niets tegen gedaan" schreef Maas. 

Na de dood van zijn vrouw op 17 februari 1948 schreef Maas: "Het leven is ons niet gunstig geweest. Achteraf gezien heb ik wel begrepen, dat de herrie om mijn benoeming tot leraar in Venlo, in 1915, mijn vrouw geestelijk heeft aangetast. Toen had ik daar geen erg in, ik had het ook veel te druk. In 1917, door de ploerterij van Nolens en Van Wijnbergen - op aanstoken van Piet van Thiel & Co - het zij hen vergeven! - is de volledige knak toegebracht." Een week later schreef Maas: "Ik schreef al met een enkel woord over de geestesziekte van Henriëtte. In de buitenwereld heb ik daar nooit enig gewag van gemaakt. Want dat gevolg was natuurlijk niet de vooropgezette bedoeling van mijn vijanden geweest. Wel was het hun vooropgezette bedoeling mij op de keien getrapt te zien. Kapot te maken zou mgr. Van Gils zeggen. Ik hoor tegenwoordig dat heel velen het land hebben aan die potentaat, ook veel eerwaarden. Hoe het met mijn gezin zou gaan kon hen geen snars schelen. Vanwege hun christelijkheid zeker!"
Over zijn 77-ste verjaardag schreef Maas aan Jacques Heeren: "De dag heeft een kleine honderd gulden gekost, dat is veel voor een vooroorlogse pensioentrekker. Enfin, daarom maar niet getreurd, een paar maanden krom liggen en dan schiet het al weer hard op naar de 78. Dank van harte! En ik voel iets trillen in je neergeschreven woorden dat mij aangenaam aandoet en dat mij van hoop en vertrouwen vervult aangaande onze goede vriendschap en haar standvastigheid ondanks het ouderwetse 'geklots der opgezweepte baren'."

Het was in de jaren zeventig, dat ik boekjes boeken uitgaf en daarom ook regelmatig contact had met boekhandelaren. Zo vertelde me de eigenaar van een bekende boekhandel  in Eindhoven eens dat hij de boeken van Maas uitsluitend aan heel goede klanten verkocht en alleen van onder de toonbank.

Met kunstenaar Harry Maas overleed de laatste van het gezin Maas. De romans, artikelen en brieven van Maas bestaan nog.

 

Tij Kools.  (29 noverber 2007)
 

 

(Aanvulling per 21 november 2011)

Maas, die per 1 mei 1915 benoemd is tot leraar aan de Rijksdagnormaalschool in Venlo, is voor de katholiek Van Wijnbergen, lang nadat Maas die aanstelling kreeg, nog eens een extra reden om tijdens een Kamerdebat over onderwijs op 6 februari 1917 zijn gal te spuien over hem.
Uit het lange Kamerdebat heb ik hieronder wat korte stukjes op een rij gezet. 

Van Wijnbergen:
            “Deze sollicitant, die thans benoemd is, had niet mogen benoemd worden. Maar nu hij benoemd is, kan hij in geen geval gehandhaafd blijven in die streek. Gelijk de Minister weet heeft de benoemde meer dan één roman geschreven, waarvan eenieder zonder onderscheid zal toegeven, dat zij behooren tot de zedelooze romans. Daarover is geen verschil van meening. Ik heb zelfs het Departement in de gelegenheid van een van die romans kennis te nemen. Men begrijpt, men kan hieromtrent van meening verschillen, maar wat den roman, dien het hier betreft, geldt, zou ik hier de aanwezige leden beleedigen, indien ik onderstelde dat er iemand onder gevonden werd die deze roman niet onder de zedelooze rekent. Daarom had deze man niet mogen benoemd worden.’’
           “Nu zal men zeggen: dat is eenigen tijd geleden en die man kan zich toch beteren. Dat erken ik, maar dan is zoo iemand toch niet bruikbaar in de streek, waar men algemeen weet, dat hij de schrijver is van dat boek. Zelfs aangenomen dat die persoon zich naderhand gebeterd heeft, is hij nog niet bruikbaar in die streek.”
          “Het bewijs dat de benoeming-Maas vloekt met de belangen der inrichting, behoeft dan ook niet meer geleverd te worden. Maar men zit er mee tot last van vele ouders en tot schade van het onderwijs. Niet te weerspreken gevolgen der ,,stuitende benoeming.”
         
“Indien vaststaat, dat deze man zich niet gebeterd heeft, dat hij nog dezelfde mentaliteit bezit die hij bezat, toen hij die boeken schreef, dan moet hij ontslagen worden. Het moge hard zijn, maar de Nederlandsche jeugd mag er niet aan gewaagd worden.”
         “Ik moet ook aannemen, dat deze man nooit benoemd zou zijn als opleider van aanstaande ondewijzers, indien deze feiten bekend waren geweest. Maar nu zou ik willen vragen: aangenomen, dat de man zich op dit oogenblik gebeterd heeft, is er dan geen voldoende reden, ook wijl deze onderwijsinrichting er blijvend schade van moet ondervinden, om te bevorderen dat deze man wordt verplaatst?”
          “De heer
Kleerekoper vraagt, waar die man dan heen moet. Indien hij zich gebeterd heeft, naar een andere streek van Nederland, gelijk ik reeds heb gezegd. Er zijn toch nog tien andere provincies; in Limburg is de man per se onbruikbaar. De heer Kleerekoper vraagt nu, of het er dan voor die andere provincies niet op aan komt. Die vraag verheugt me. Meermalen hooren wij toch, dat er omtrent zedeloosheid niet een objectieve maatstaf is, en dat men in verschil- lende plaatsen daaromtrent een andere meening heeft, en door verschillende personen daaromtrent verschillend wordt gedacht”.
         "Een ambtenaar, die zich aan iets heeft schuldig gemaakt, kan zich naderhand beteren, maar in elk geval moet hij toch verwijderd worden uit de streek, waarin hij zich aan een bepaald delict heeft schuldig gemaakt. Zelfs indien deze man zich gebeterd heeft, zou hij in deze streek niet gehandhaafd kunnen worden, en mocht het vaststaan, dat dat niet het geval is, dan is mijn antwoord op de vraag van den heer Kleerekoper, dat de man ontslagen moet worden. Indien blijkt dat hij ongeschikt is, dan mag de jeugd daaraan niet worden toevertrouwd. Indien vaststaat, dat deze man zich niet gebeterd heeft, dat hij nog dezelfde
mentaliteit bezit die hij bezat, toen hij die boeken schreef, dat moet hij ontslagen worden. Het moge hard zijn, maar de Nederlandsche jeugd mag er niet aan gewaagd worden.” “En verder acht ik het van groot belang er den nadruk op te leggen, dat het hier geweest is een der leden van de sociaal-democratische partij, die verklaard heeft, deze romans niet te rekenen onder de zedelooze romans.
          "Voor de juiste beoordeeling van wezen en karakter der sociaal-democratie kan het bijdragen te weten, dat hier in de Kamer door den heer ter Laan verklaard is, dat het boek: ‘Verstooteling’, geschreven door Maas, niet gerekend wordt onder de zedelooze romans.”
“Doch met kunst heeft zulk geschrijf niets uit te staan. Toch steekt er in deze schrijver een kunstenaar, die prachtig boeren kan teekenen, nl. Als hij genezen is van zijn blindheid. Deze beoordeeling, geteekend G. F. H., meen ik te moeten stellen tegenover het gunstig oordeel zooeven van den heer ter Laan.”

Ter Laan:

        “Ik heb niet beweerd, dat die schets waarheidsgetrouw was. Ik heb er uitdrukkelijk bijgevoegd, dat ik het niet kan beoordeelen. Maar dat doet tot deze zaak niets af; de schrijver zelf geeft er deze voorstelling aan.
         "
Ik schijn niet de eenige hier te zijn, die het boek gelezen heeft. Ik herinner het mij goed. En ik beweer, dat iemand die zóó schrijft, niet is een onzedelijk man, en dat het boek, hetwelk zeer duidelijk de strekking heeft om mede werken tot verbetering, niet is een onzedelijk boek.
Er zijn dingen, waarover men het niet licht eens wordt, en daartoe behoort ook het begrip ,,zedelijkheid”.
         "
Ik heb bij voorbeeld zoo straks – ik wil aannemen, dat het was door de hitte van het debat – één van onze Katholieke afgevaardigden hooren zeggen, toen de Minister aan het woord was: zijn er geen middelen om dien man het leven te Venlo zoo onmogelijk te maken, dat hij weg moet? Dat vind ik onzedelijk! Dat vind ik doortrapt gemeen!”
De voorzitter:
         “Ik moet den geachte afgevaardigde dringend verzoeken dergelijke uitdrukkingen ten aanzien van zijn medeleden niet te gebruiken.”

Ter Laan:

         “De heer ter Laan (den Haag): Mijnheer de Voorzitter! Ik wil maar zeggen: Zóó ver loopt de beoordeeling van de begrippen ,,zedelijk”en ,,onzedelijk” uiteen. Ik geloof niet dat het geachte medelid, op wien ik doelde, zich voor onzedelijk zal houden, en toch is wat hij zei m.i. een van de meest onzedelijke dingen die ik ooit heb gehoord. Als hij er anders over denkt, kan hij zich zelf hier nader verklaren.”