Arbeidersleed
Middeleeuwse toestanden in de Peel
(van onze speciale verslaggever)
Helenaveen, 23 augustus (1919)
"-Anderhalf uur loopen, aldus werd ik
vriendelijk ingelicht, toen ik in den vroegen
stralenden zomermorgenmorgen aan de halte
Helenaveen stond en me over de weg een afstand
naar het dorp oriënteerde. Toen ik den grindweg
aftuurde, liniaal-recht langs de vaart zich in
oneindigheid verliezend, bepeinsde ik dat wel
een plattelands-anderhalf uur zou worden
bedoeld. Maar ’t verdroot me niet, want van
rechte oneindigheid kwamen de typische bochten,
de onverzwakte aspecten van mooie Bosch-partijen,
de kleurige wereld van een bonten wilden
plantengroei.
Op ’t land ligt alles stil. Geen hand wordt
opgestoken naar de rogge die te velde staat,
waartusschen het onkruid welig tiert en die, als
niet spoedig wordt ingegrepen, gedoemd is
te verrotten. Men ziet geen maaiers in het veld
en geen schoven koren, de turf ligt in
regelmatige piramiden opgetast, maar geen
sterveling die er zich om bekommert. Het is op
de terreinen van de maatschappij Helenaveen een
drukkende, pijnlijke stilte. De menschen
knutselen wat in eigen tuintje maar aan de
gewonen dagtaak denkt niemand. En dat is nu al
zes weken zoo. Wij hebben reeds gemeld dat er
een veiling van rogge, haver en turf, waardoor
de maatschappij “Helenaveen” gedwongen was over
te gaan wegens de staking van 200 land- en
veenarbeiders, niet kon doorgaan, omdat er, uit
sympathie met de stakers, geen bod werd gedaan.
En wat we sindsdien vernamen over de toestanden
in dit gedeelte van de Peel en bij dezer
maatschappij, gaf ons aanleiding, eens ter
plaatse op onderzoek uit te gaan. Wanneer men
dan spreekt met de menschen zelf, met de
dociele, eerlijk-stoere, maar over ’t algemeen
vrij onontwikkelde menschen, die jaren lang hun
leed in dof berusten en angstig zwijgen gedragen
hebben, doch ten slotte toch ook niet heelemaal
ontkomen aan den drang van den nieuwen tijd, die
ten slotte toch niet heelemaal vreemd blijven
van den nieuwen geest, die over de weereld
vaardig wordt, dan heeft die indrukwekkende
stilte, die nu heerscht over dit mooie land,
zijn bijzondere beteekenis. Toen ik zoo te
wandelen liep met de leiders der plaatselijke
organisaties –hen tot spreken aanmoedigen
behoefde ik niet, want nu het feit van de
staking er eenmaal is, komen de tongen los-
moest ik telkens denken aan de eerste tijden in
ons land van krachtige arbeiders-organisatie,
toen er nog een flinke dosis moed voor noodig
was om haantje de voorste te zijn. De mensen
zijn er zelf het meest over verbaasd, dat het nu
eindelijk zoo ver is. Dat ze zich hebben durven
organiseren, dat ze durven staken. Weet men wel
dat hier in de 20ste eeuw in een deel van ons
land nog een paar honderd gezinnen leven in een
toestand van hoorigheid en lijfeigenschap? Dat
zijn de gezinnen der land- en veenarbeiders, die
wonen op het ongeveer 1500 bunder groote gebied
der maatschappij Helenaveen. Deze menschen wonen
in huisjes van de maatschappij, pachten hun
grond van de maatschappij en zijn er bij in
loondienst.
Dat klinkt nu heel idyllisch en patriarchaal,
maar de werkelijkheid is niet: een landelijke
bevolking, die in goed daggeld werkt, en de
gezinswelvaart vermeerdert door ’t eigen lapje
grond, maar afgetobde, voor schamel loon
werkende menschen, die leven in de meest
verbijsterende rechteloosheid, die hun leed
moeten verkroppen en voor hun meest elementaire
rechten niet durven opkomen, omdat ze de slaven
der maatschappij zijn en bij ontslag en
ook met het gezin onmiddellijk dakloos zijn. |